Skip to Content

Vinho do Porto en de Douro, um história especial, Parte 2

4 June 2026 by
Kris Jeuris

Zoals in de vorige aflevering al verteld: De handelaars riepen uiteindelijk de hulp in van de toenmalige Portugese eerste minister, die nu nog altijd gekend is als de Marques de Pombal.

 

De Marques de Pombal

Sebastião José de Carvalho e Melo zoals de Marques voluit heette, was een nogal meedogenloze leider, maar zijn verwezenlijkingen zijn niet gering. Het meest zichtbaar is dat vandaag in de benedenstad van Lisboa. Die werd in 1755 getroffen door een enorme tsunami waardoor er nauwelijks wat van de stad overbleef. De Marques zorgde voor een snelle en goed geplande heropbouw. De parallel lopende straten die vanaf de oever van de Tejo naar boven lopen en vandaag het straatbeeld in Lisboa nog steeds bepalen, zijn de verdienste van de Marques. De wijk wordt dan ook nog altijd ‘Baixa Pombalina’ genoemd.

Het standbeeld van de Marques prijkt vandaag centraal in de stad op het ronde punt bovenaan de majestueuze Avenida da Liberdade.

 

De eerste minister zag in de noodkreet van de Britten vooral een kans om zijn invloed op de potentieel lucratieve portohandel te laten gelden. Hij verenigde de ‘growers’, zoals de druivenboeren toen genoemd werden, in de Real Companhia das Vinhas do Alto Douro. Dat beschermde hen tegen de uitbuiting door de Engelse handelaars en zo kon er meer aandacht besteed worden aan de kwaliteit van de basiswijn. 

Er werd meteen ook een voorloper van de ‘appellation contrôlée’ uitgerold, een eeuw voor de Bordelezen hun classement van 1855 publiceerden. De Douroregio werd afgebakend met grote granieten palen en er werd een klassement aan de wijngaarden geven volgens hun ligging. Er kwamen productiequota en de overheid controleerde de handel in de brandewijn die werd gebruikt voor het versterken van de wijnen. Veel van die maatregelen hebben vandaag nog steeds een impact op de wijnproductie in de Douro.

Daarmee was de basis gelegd voor het succesverhaal dat zou volgen. Na de verstoringen door oorlog begin 19de eeuw groeide de portohandel sterk. Geleidelijk aan gingen de handelaars ook zelf wijn maken zij het bijna uitsluitend van aangekochte druiven, maar ze worden vandaag nog altijd Port Wine Shippers genoemd.

En het versterken van de wijn deed men voortaan niet langer op het eind van het productieproces maar op aangeven van de monniken van Lamego in het begin. Zo werd porto de zoete digestiefwijn die we vandaag kennen. Door tijdens de gisting van de druiven al brandewijn toe te voegen, werd die abrupt gestopt en bleef er veel onvergiste suiker van de druiven over. De Fransen hebben er de perfecte benaming voor: ‘Vin Doux Naturel’, een wijn die zoet smaakt door de natuurlijke suikers die behouden blijven.

Na het versterken van de wijn is de basis voor de uiteindelijke porto gelegd. Daarna gaat de rijpingsmethode de stijl bepalen, maar daarover later meer.

 

Steeds weer dezelfde monniken

De monniken van Lamego behoorden niet toevallig tot de Cisterciënzerorde. Deze sober levende monniken kunnen bijna alle belangrijke verbeteringen in de geschiedenis van wijn en aanverwante dranken op hun conto schrijven. 

Hun strafste verwezenlijking is misschien wel ons eigen Trappisten-bier, maar het waren bijvoorbeeld ook de Cisterciënzermonniken van Cîteaux, nabij Dijon, die alle terroirs van Bourgogne doorgrond hebben en zo aan de basis lagen van het hedendaagse onderscheid tussen de verschillende ‘crus’.

 

Vila Nova de Gaia

Niet alle maatregelen van de Marques waren een zegen. Zo besliste hij ook dat alle voor export bestemde porto ten laatste de winter na de oogst verscheept moest worden naar Gaia om daar opgeslagen te worden. 

 

Op de foto zijn de ‘Port Wine Lodges’ makkelijk herkenbaar aan de rode daken.


Het rijpen in de Douro was niet toegestaan. In tijden zonder klimaatregeling was dat een verstandige beslissing. Het koelere en vooral ook vochtigere klimaat aan de kust was veel meer geschikt om wijn te rijpen dan de warmte en droogte van de Douro. En aangezien de wijnen toch via de zee vervoerd werden was het best praktisch. Het hele gebied in Gaia tussen de spoorweg en de rivier werd zo één groot belastingentrepot onder toezicht van de overheid.

Eén groot nadeel: wie niet de middelen had een opslagplaats te bemachtigen in Gaia, kon de facto geen porto commercialiseren onder eigen label. De macht werd zo geconcentreerd bij een selecte groep van grote spelers. Pas bij de toetreding van Portugal tot Europa in 1986 werd de wet opgeheven. 

Als de portohandel vandaag onder druk staat, dan is dat deels te wijten aan een zekere zelfgenoegzaamheid die bij de grote huizen binnen sloop. Het quasi monopolie dat door de wetgeving was ontstaan, liet hen indommelen terwijl de wijnmarkt heel snel veranderde. Een nieuwe generatie wijndrinkers keerde zich af van een drank die zij als ‘plakkerig zoet’ percipieerden. 

Met het afschaffen van de beperkende wet werd wel ook een zaadje geplant voor de heropleving van porto. Die werd ingezet door de kleine producenten die nu niet langer verplicht waren hun druiven te verkopen aan de grote huizen maar zelf konden gaan produceren. Een belangrijk verschil met het verleden: de kleine huizen telen hun eigen druiven in plaats van hun ‘ingrediënten’ aan te kopen. Dat is toch een enorm voordeel voor wie maximale kwaliteit nastreeft. 

Het heeft natuurlijk wel een hele tijd geduurd alvorens de nieuwe impuls ook te proeven was op fles. Om een volwaardig portohuis te worden moet je een royale voorraad reservewijn opbouwen die je nodig hebt om de juiste blends te maken. Goede porto vraagt bovendien ook een lange rijping en daar gaan wel enkele decennia over. 

Dat verklaart waarom we het effect van de afgeschafte wet van 1986 pas nu, 40 jaar later, echt beginnen te merken. De porto’s van Quinta da Manoella en Quinta do Vale Meão zijn mooie voorbeelden van de nieuwe generatie. Ze werden met veel passie en geduld gemaakt en dat zorgt voor zeer hoogstaande kwaliteit, het ideale uitgangspunt om wijnliefhebbers de bijzondere traditie van porto te laten herontdekken.